Tragus 6
Voor de WiFi van het ziekenhuis moet ik eerst even naar buiten en weer naar binnen, maar dan heb ik een geactualiseerd exemplaar van mijn zorgpas op mijn telefoon. De man die hem zonet nog weigerde, wuift mij nu naar een loket aan de overkant van de entree, waarachter drie dames iets administratiefs doen. Ik houd mijn telefoon tegen het glas, een van de drie maakt daar met haar eigen telefoon een foto van en toont die aan collega twee, die mij daarop een opgestoken duim geeft: geslaagd voor het administratief examen.
Voor het nog af te leggen patiëntexamen word ik geëscorteerd door een dubbele deur aan het eind van de gang, waar mij zwijgend een kamer en een bed wordt aangewezen. Ik groet de twee Grieken in de bedden tegenover het mijne. De ene steekt een hand op, de andere lijkt te slapen. Het bed naast mij is leeg.
Er verschijnt een verpleegkundige aan mijn bed met een bakje waarin allerlei injectiespullen waarmee zij een infuus gaat aanleggen. Zij plaatst een soort kraantje in mijn arm en drukt op de ene ingang behoedzaam een spuitje leeg. Vermoedelijk met de mij in het vooruitzicht gestelde dosis prednison. Op de andere uitgang sluit zij een normale infuuszak aan, en hangt die aan een paal naast mijn bed. Uitgerekend de infuuspaal zoals die zich wel op elke ziekenzaal bevindt, met zo’n vijfpoot waarvan elk wieltje een andere kant op wil.
Gelukkig is ruime keus aan alternatieven, dus na enig gehannes met slangetjes en haakjes ben ik vriend van een infuuspaal die wél met mij dezelfde kant uit wil. Als wij van een verkennend rondje op de gang terugkeren, is de catering langs geweest: op mijn nachtkastje een metalen tray: boven op een dosis rijst rust een halve kip. Als ik aan de verpleging heb uitgelegd dat ik vegetariër ben maar dat ik wel vis en kaas eet, wordt even later een andere tray binnen gebracht, waarop een plak kaas, ter omvang en dikte van een boterham. Zonder rijst. Huh? Vráág je kaas, kríjg je kaas, weer niet goed. Rare lui, die Hollanders.
Oorator
(wordt vervolgd)